Turfstrooiselfabriek Steegh & Esser America

Het turfstrooiselfabriek was gelegen aan de Putweg, nabij de plek waar nu het Beukenhof ligt. Naast een grote loods was er ook een houtzagerij en een smederij. Het geheel lag op 1,26 ha. grond. Steegh was een koopman uit Blerick. Al in 1893 kocht hij ongeveer 100 ha peelgrond van de gemeente Horst. Bij deze verkoop werd overeengekomen dat alleen het grauwveen verkocht zou worden. Voor het turfstrooisel gebruikte men de vale turf, het grauwveen, de bovenste laag. Die moest er eerst afgestoken worden. De vale turf hield zijn maat, die klonk niet in. Deze turf was de fabrieksturf. Het voordeel van het grauwveen was, dat dit het hele jaar door gestoken kon worden. Boëms Piet (Vervoort) heeft veel turf in de Peel gehaald met paard en kar. Ook werden er lorries gebruikt om de turf in de Peel te halen. Deze lorries gingen via de Putweg de Peel in.

In de fabriek kwam de turf uit de Peel aan de achterkant binnen. De turf werd afgeladen en via een lopende band en een soort lift (elevator) werd dit naar boven getransporteerd. Boven in de nok stonden machines, die de turf verpulverden. Onderin de fabriek werden de pakken turf gemaakt. De pakken werden vastgemaakt met latten en draden. Vandaar ook de houtzagerij en de smederij dicht in de buurt. Vervolgens gingen de pakken turfstrooisel in de wagons en via het station en het spoor verder naar de plaats van bestemming. Het turfstrooisel werd vooral gebruikt in de paardenstallen in garnizoensplaatsen. Het werd uitgevoerd naar alle West – Europese landen, tot in Engeland en zelfs Amerika toe. Het fijne turfstrooisel werd ook gebruikt in koestallen, kippenhokken en zelfs voor de fruitverpakking. Het werd ook gebruikt als isolatiemateriaal. In de pastorie in Griendtsveen werd turf gevonden in de spouwmuren.

Henk van der Griendt spreekt in zijn boek over de turfstrooiselfabrieken over de fabriek van Steegh en Esser van 1897 tot 1942 nabij Halte America, het station. Over deze eerste periode van de fabriek is nagenoeg niets bekend. Voor die tijd was Steegh & Esser actief in Griendtsveen (halte Helenaveen) van 1886 tot 1896. In dat jaar nam de gemeente Deurne het fabriek over voor f. 12.000,- . Steegh en Esser was wel tot verkoop gedwongen, omdat de gemeente geen grauwveen meer wilde leveren.

Een zekere van Eechoud uit Horst vroeg toestemming tot de aanleg van een smalspoor. Het spoor was 60 cm. smal. Hij wilde op de hei in Veulen de turf gaan exploiteren. Dit smalspoor ging vanaf het station, voor café Vervoort (later Boëms
Jeu) langs over de huidige Gerard Smuldersstraat tot aan de eerste ontginningen in het Veulen over de Lorbaan. Tinus Verheyen reed de tram met vruchten van het Veulen naar het station America en andersom bracht hij kunstmest naar de boerderijen.

 Vullings en van Eechoud uit Horst vroegen een vergunning aan voor telefoon in het Venrayse, zodat ze elkaar makkelijker konden bereiken.
Dit kregen ze echter niet. Venray gaf deze vergunning niet. Toen vroeg men in Horst. Dit lukte wel en er kwam een telefoonlijn over de Meterik , midden door de bossen naar Toon Verheyen, de vader van Tinus Verheyen. Ze kwamen dan altijd bellen in dit huis en Verheyen moest dit dan doorgeven.

De beek aan de Putweg die er nu ligt, lag er toen ook al. Voor langs het station liep de losweg. Het smalspoor eindigde op een draaischijf. Vanuit deze draaischijf kan je richting station, maar ook richting turfstrooiselfabriek Steegh & Esser. Ze gingen met die wagentjes gewoon over het spoortje over de beek heen. In 1907 werkten er in het Turfstrooiselfabriek 20 mannen van boven de 16 jaar. De werklonen lagen in die tijd voor dit zware werk rond f 1,50.

In 1912 / 1913 vroeg de firma toestemming om een nieuwe fabriek te bouwen te America. Perceel sectie F, nr. 1456. Het is onduidelijk wat hier van terecht gekomen is. Op een gegeven moment is er ook ruzie gekomen tussen Deurne en Steegh en Esser Horst.

In 1917 brandde de houtzagerij af. De schade bedroeg 500 gulden. In 1920 werd het huis van de familie Wasser gebouwd aan de Putweg. Wasser was een soort opzichter. Hij moest iedere dag het werkvolk controleren. Tegenover de spitse van het stuk grond van Wullem van de Villa (Janssen) stond het keetje waar Wasser zijn werk deed. Het werk in de turfstrooiselfabriek was zwaar en stoffig. Er kwamen altijd grote stofwolken uit de fabriek. Veel werklui kwamen uit America en Hegelsom. Jeu en Hand Geerarts (vader en oom van Jan, Jac en Ton) hebben lang in de fabriek gewerkt. Zij hebben ook veel in de Peel gewerkt. Andere Peelwerkers waren Tinus en Thei Verhaegh.

In 1929 , op 11 oktober, brandde de fabriek geheel af. Het brandde geweldig omdat het gebouw helemaal van hout was. De schade bedroeg dit keer 37.000 gulden.

Brand in de fabriek uit Peel en Maas 12 oktober 1929

Na de brand is de fabriek herbouwd en is er een stenen gebouw bijgezet. Vanwege de veiligheid is er een trapje te zien aan de zijkant van het gebouw.. Dit is ook op de foto duidelijk te zien. Hier is ook een bouwtekening van. Wim Vervuurt heeft de foto van het fabriek gemaakt, die wij in de Moeëk hebben. Wim van Petran Vervuurt, een broer van Sef Vervuurt.

Jac Poels van Rowwen Heze heeft deze foto nagetekend. De bouwtekening van dit gebouw komt uit het gemeentearchief van de gemeente Horst. De naam was toen al veranderd in NV Turfstrooiselfabrieken en veenderijen (voorheen Steegh & Esser).

Op 10 mei 1944, tijdens de oorlog heeft de Duitse bezetter het fabriek ingevorderd om er oorlogsmateriaal op te slaan. Het geheel was op dat moment eigendom van P.B. Huberts, wegenbouwer en aannemer. Ook het bijbehorende ketelhuis, een schuur, de toegangsweg en het smalspoor werden opgeëist. Tijdens en na de oorlog haalden de Americaanse jongens er van alles uit. In de oorlog haalden enkele kornuiten er een grote wasbak uit, die ze gebruikten in de schuilkelder voor de piloten op de Zwarte Plak. Na de oorlog is het fabriek niet meer opgestart, maar werd het “zaakje” opgekocht door de Gasunie. Zij hebben tegen het einde van de 40-er jaren de pijpleidingen gelegd. Ze gebruikten dit voor opslag van materialen.

Wanneer de gebouwen precies weggegaan zijn, is niet helemaal duidelijk. Grad Poels herinnerde zich nog wel dat toen Cuppen Sjang getrouwd is, dat hij planken van het fabriek gebruikt heeft om een kippenkooi van te bouwen. Sjang trouwde in bij Tielen Grad. Dit huis lag vlak voor de tuinbouwloods aan de Zwarte Plakweg. Deze familie Tielen heeft ook het kapelletje laten bouwen aan de Zwarte Plakweg.

De maquette is gemaakt vanaf de ongedateerde tekening van de heer Duijf, bouwkundige uit Horst. Hier staat een zagerij, smederij en een fabriek op. Het gebouw was geheel van hout gemaakt. Duijf was een bekende van Grad Poels, omdat hij hier vaker met de melkwagen kwam. Duijf woonde in de Kerkstraat in
Horst.

Vanaf deze tekening heeft Chris Minten uit Meterik deze prachtige maquette gemaakt. Op dit moment is de maquette in bruikleen bij het Peelmuseum.

Tekst: Hay Mulders Werkgroep Oud America. Uit het archief van de werkgroep.